Een ster ontstaat als er uit een
wolk waterstofgas een grote bol ontstaat. Die bol begint heel
klein en als hij klein is, trekt hij al ander waterstofgas aan.
Hoe groter de bol wordt, hoe sterker hij ander gas aantrekt.
Na verloop van tijd heeft de bol bijna alle waterstof
aangetrokken die er in de buurt te vinden was. Als de bol groot
genoeg wordt, dan gebeurt er iets geks.
Je moet weten, dat de zon heel
groot is. Weel meer dan honderd keer zo groot als de Aarde. Al
het gewicht van het waterstofgas van de zon drukt heel hard op
het gas middenin de zon. Dat gas wordt daar erg heet van. Op
zeker moment gaan de atomen van het gas kapot.
Atomen zijn heel kleine deeltjes. Ze zijn zo klein dat je er wel
een miljoen op een rijtje zou moeten leggen om een streepje van 1
millimeter te krijgen. Natuurlijk kun je zulke kleine dingetjes
niet beetpakken!
Alles op de wereld, jijzelf ook,
is van atomen 'gemaakt'.
Als de atomen in de zon in elkaar drukken, dan gaat er iets
vreemds gebeuren. Uit waterstof ontstaat helium. Helium kan ook
een gas zijn. De ballonnen die met een kaartje eraan omhoog
vliegen, zijn gevuld met helium.
Als er in de zon van waterstof helium wordt gemaakt, dan komt
daar heel veel warmte bij vrij. In de zon is het wel 10 miljoen
graden!
Aan de buitenkant is het niet meer zo verschrikkelijk heet. Daar
is het nog 'maar' 6.000 graden.
De zon kan heel lang zo werken.
Zij geeft al 5 miljard jaar licht en het duurt waarschijnlijk nog
5 miljard jaar voordat de zon uitgewerkt is. Dan wordt de zon
heel groot en ijl (of dun).
Aan het eind blijft er van de zon een gloeiende bol steenachtig
spul over. Dat zal voornamelijk koolstof zijn. Dat is het zwarte
goedje uit een batterij.
Die gloeiende bol, die ongeveer zo groot als de Aarde zal zijn,
is aan het eind van het sterreleven helemaal afgekoeld en ziet er
dan uit als een heel donker stuk steen.