Voyager
Bijna alles wat wij weten van de planeten Jupiter, Saturnus, Uranus en
Neptunes is ontdekt met de Voyagers.
Voyager betekent: reiziger. Nou, dat
waren het ook. Wat een reis!
De eerste blik die wij van dichtbij kregen van
de planeten Jupiter en Saturnus werden ons geleverd door de Pioneer 10 en 11.
Dat waren twee ruimtevaartuigjes, ook wel sondes genoemd, die allerlei metingen
moesten doen, zo ver van de Aarde. Er was ook een soort camera aan boord, die
wat matige foto's konden maken, maar de kwaliteit was niet zo best.
Toch
waren die opnamen van Jupiter al beter dan we vanaf de Aarde door kijkers kunnen
zien. De camera's aan boord van de Pioneers waren echter maar bijzaak. Ze
draaiden om hun as. De camera's waren eigenlijk een soort lichtgevoelige cellen
die door kokertjes steeds een stukje van het heelal zagen. Toen ze langs jupiter
en Saturnus 'vlogen' kwamen deze planeten op zeker moment in het blikveld van de
kokertjes van de Pioneers. Strookje voor strookje werd op die manier een opname
gemaakt.
Planetoïden
Voor deze tochten van de Pioneer 10 en 11
wist men niet of ze wel heel zouden aankomen bij Jupiter en Saturnus. Tussen de
banen van Mars en Jupiter is namelijk de planetoïden gordel. Planetoïden
betekent: planeetjes. Het zijn planeetjes van soms een paar honderd kilometer.
De meeste zijn veel kleiner. Stof en gruis komt het meest voor. Misschien is er
in de baan van de planetoïden gordel ooit eens een planeet geweest, die later
door een botsing kapot is gegaan. Veel last hadden de Pioneers niet van deze
planetoïden gordel. Toch konden de geleerden op Aarde wel de inslagen van het
stof 'horen' via de instrumenten.
Nu moet je niet denken: Oh, een beetje
stof. Een klein stofje van een milimeter of minder kan een enorme klap geven op
een ruimtevaartuigje dat met een snelheid van tienduizenden kilometers per uur
vliegt! Een botsing met een zandkorreltje overleeft een sonde waarschijnlijk
niet.
In de buurt van Jupiter en Saturnus was heel veel straling. Gelukkig
konden de instrumenten er goed tegen.
Grote plannen
De
Pioneers waren eigenlijk verkenners voor een veel mooier plan: een reis langs
Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus en Pluto. Als je een ruimtesonde met een
grote raket in de richting van Jupiter, dan gaf Jupiter de sonde een reuzezwaai
in de richting van Saturnus, enzovoort. Het lijkt een beetje op schommelen. Elk
zetje brengt je weer een beetje hoger. Op het laatst zou de snelheid van zo'n
ruimtesonde meer dan honderduizend kilometer per uur zijn!
Die kans zou zich
maar éénmaal in de 176 jaar voordoen. Natuurlijk hadden ze ook wel later kunnen
lanceren, maar dan had men een geweldig grote raket nodig gehad, en die was er
niet. Of de reis zou heel lang gaan duren. Dat wilde men ook niet. Want je kunt
een sonde wel jarenlang laten vliegen, maar elke dag moeten er mensen op Aarde
de sonde in de gaten houden en ze moeten via de radioverbindingen opdrachten
naartoe sturen.
Op zo'n grondstation zijn meestal dagelijks tientallen
mensen aanwezig voor alle controles. Daarom wordt een project met ruimtesondes
uiteindelijk vaak gestopt, omdat het te duur wordt met al die controlerende
mensen.
Voyager
Het plan dat men had heette 'Voyager'.
Er zouden er twee gelanceerd worden. Als er dan één kapotging, had je er
tenminste nog één over.
De Voyagers kregen heel veel instrumenten aan boord.
Ook kregen ze hele goede camera' of eigenlijk kon je deze camera's haast wel
sterrekijkers noemen. Het waren televisiecamera's die alleen in zwartwit konden
'fotograferen'. Toch zijn er kleurenfoto's gemaakt. Hoe doen ze dat?
Eigenlijk heel eenvoudig. Je maakt drie foto's achter elkaar. De eerste door
een rood glaasje (filter), de tweede door een groen filter en de derde door een
blauw filter. Als de foto's overgeseind waren naar de Aarde dan konden ze daar
uit die drie foto's één kleurenfoto maken. Het werkt ongeveer als de
kleurentelevisie. Kijk maar eens heel dicht bij het scherm, dan zie je dat het
kleurenbeeld samengesteld is uit rode, groene en blauwe streepjes. Je weet vast
ook wel, dat je de kleuren van een televisie heel erg overdreven kunt maken,
zodat mensen oranje gezichten krijgen.
Dat deden de geleerden soms ook met
de foto's van de Voyagers. Dan zag je dingen die je anders niet zag.
De
Voyager moest ook een grote antenne hebben. Dat werd een schotelantenne van wel
drie meter in middellijn. Waarom zo groot?
De Voyagers ontvingen gedurende
hun reis steeds weer nieuwe commando's voor de computers aan boord. Dat waren
commando's voor de richting die de Voyagers moesten vliegen, commando's voor de
camera's en andere instrumenten.
Als je met een heel grote antenne -en dan
moet je denken aan een schotelantenne van 64 meter- een commando naar een
ruimtesonde stuurt, dan gaat die radiostraling met een enorme snelheid de ruimte
in. Die snelheid is wel 300.000 (driehonderdduizend) kilometer per seconde.
Maar het doel was om de buitenste planeten te bereiken met de Voyagers. Die
staan zover weg, dat de radiogolven uit de grote antenne op Aarde er bijna
vijf uur over doen om daar terecht te komen! De signalen zijn dan ook nog
maar heel zwak. Heel knap van die Voyagers om dat nog te 'verstaan'!
Omgekeerd moesten alle radiosignalen van de Voyager ook nog op aarde te
'verstaan' zijn. Op het laatst waren daarvoor wel vier grote antennes tegelijk
voor nodig.
De Voyagers hadden ook elektrische energie nodig. Voor een reis
naar de Planeet Mars kun je nog wel zonnepanelen gebruiken. Die zonnepanelen
maken elektriciteit uit zonlicht. Voor de Voyagers lag dat wel een beetje
anders. Het zonlicht in de buurt van Neptunus kun je vergelijken met het licht
dat wij op aarde zien als de Maan halfvol is. Dat is dus niet veel.
Daarom
hadden de Voyagers een soort atoombatterijen. Radioactief materiaal dat zoveel
hitte geeft, dat je daar elektriciteit uit kunt halen.
Op
reis
In de zomer van 1977 werden de beide Voyagers gelanceerd. Rond die
tijd moest er weer eens bezuinigd worden in Amerika en nog voordat de beide
Voyagers bij Jupiter aankwamen, werd er al besloten dat er geen geld meer was om
de beide ruimtesondes voorbij Saturnus te volgen.
In 1979 kwamen de
beide Voyagers langs de planeet Jupiter. Ze ontdekten nieuwe manen, een ring om
Jupiter en nog veel meer. Iedereen was heel enthousiast en opeens was er wel
weer geld beschikbaar voor de rest van het project. Alleen werden de plannen
veranderd. Voyager 1 zou na de passage van Saturnus 'omhoog' gaan vliegen, dus
uit ons zonnestelsel vandaan en Voyager 2 mocht verder vliegen naar Uranus en
Neptunus.
Daardoor miste men wel de kans om naar de buitenste planeet Pluto
te vliegen.
Dat het allemaal is gelukt mag een wonder heten, want de Voyager
2 had allerlei kleine en soms grote probleempjes. De radio-ontvanger stemde niet
goed meer af en het mechanisme dat de camera's moest kunnen draaien liep af en
toe vast.
Saturnus, Uranus en Neptunus
In 1980 kwam Voyager 1
bij Saturnus aan en de Voyager 2 volgde in 1981. Ze ontdekten ook weer nieuwe
manen en de ringen gaven heel veel verrassingen. Hierna boog Voyager 1 omhoog en
vloog zodoende van ons zonnestelsel weg.
In 1986 passeerde
Voyager 2 Uranus en deed daar weer allerlei ontdekkingen. De maan Miranda
bijvoorbeeld zag er heel vreemd uit, alsof zij helemaal kapot was geweest en
daarna weer in elkaar gezet. Ook werden er weer manen ontdekt.
De foto's
waren mooier dan ooit. Dat lijkt vreemd, want de radiosignalen worden steeds
zwakker en Uranus was zover van de zon af, dat het er al aardig donker begon te
worden.
Sinds de lancering echter, in 1977, waren de technieken op Aarde
zoveel verbeterd, en had men voor de Voyager zulke slimme computerprogramma's
gemaakt, dat met hetzelfde ruimtevaartuig veel betere foto's gemaakt konden
worden.
In 1989 kwam Voyager 2 bij de laatste planeet, Neptunus,
aan. De grote verrassing kwam daar van de Neptunusmaan Triton. Daar was van
alles op te zien. Poolkappen met stikstofijs, geisers en pluimen die veroorzaakt
waren door wind.(zie de afbeelding)
De Voyager maakte nog een paar
foto's en toen werden de camera's uitgeschakeld. Vanaf dat moment werden er
alleen nog maar metingen gedaan met de andere meetinstrumenten.
Een gouden plaat
De Voyagers werken nog allebei, maar hun signalen
worden wel zwakker. Niet alleen doordat de afstand steeds groter wordt, maar de
atoombatterijen raken ook uitgewerkt. Men verwacht echter dat ze allebei toch
nog wel tot onveer het jaar 2010 kunnen werken.
Daarna gaan ze steeds verder
het heelal in. Misschien dat ze ooit nog eens gevonden door levende wezens heel
ver hier vandaan. Je weet het nooit!
Beide Voyagers hebben een goudkleurige
plaat aan boord met daarop allerlei geluiden van de Aarde, muziek en een aantal
foto's die intelligente wezens zouden kunnen samenstellen uit de geluidjes. Stel
je zoiets voor als de geluidjes die een fax maakt. Daaruit ontstaan ook
plaatjes.
(c) 1996 met dank aan Hans Walrecht